Is Jezus God?

Enige tijd geleden belden er twee Jehovah Getuigen aan bij mijn huis. Ik liet ze binnen. Natuurlijk wilden ze het met mij hebben over het Koninkrijk van God. Dat is zeker een belangrijk onderwerp, maar eigenlijk wilde ik helemaal niet naar hun verhaal luisteren. Ik wilde hén graag iets vertellen.

Want naar mijn idee is het nog belangrijker om te weten wie de Koning is van het Koninkrijk van God. Volgens de Jehovah Getuigen is dit Jezus, maar zij zeggen over Jezus: ‘We geloven ook dat Jezus nu in de hemel regeert als Koning van Gods Koninkrijk, dat binnenkort op de hele aarde voor vrede zal zorgen. Toch zei Jezus zelf: ‘De Vader is groter dan ik.’ Dus aanbidden we Jezus niet, want we geloven niet dat hij de Almachtige God is.’ [1] En voor mij is dat een te grote breuk, hoewel er ook nog wel andere punten tegen de Jehovah Getuigen ingebracht kunnen worden. Ik geloof namelijk wel dat Jezus God is. Natuurlijk kun je teksten aanhalen als Johannes 1 ‘en het Woord was God’, maar aangezien Jehovah Getuigen deze tekst in hun versie van de bijbel hebben aangepast, wordt dit mogelijk een welles-nietes gesprek. Door de afgelopen maanden vond ik een geheel andere invalshoek. Voor mij was dit nieuw, misschien voor jou ook. Daarom deel ik het graag hier.

Afgelopen maanden ben ik bezig geweest met het exegetiseren van Matteüs 9:18-26 voor één van de vakken die ik volgde. En naar mijn idee komt in dit kleine stukje tekst al zo sterk naar voren dat Jezus door Matteüs wordt beschreven als God zelf, dat ik niet om die gedachte heen kan. Lees even de volgende woorden uit Matteüs 9:18 waarin een leider naar Jezus toekomt, hij groet Jezus als volgt (maar lees vooral ook het hele stuk): ’…die Hem aanbad…’. Vergelijk dat eens met hetzelfde verhaal in Markus (5:22: ‘…wierp hij zich neer…’) en Lukas (8:41: ‘…viel aan de voeten van Jezus…’). In het Nederlands lijkt het verschil niet zo groot, neer vallen voor iemand of iemand aanbidden zou hetzelfde kunnen betekenen, bovendien hoeven beide niet per definitie te worden gezien als het aanbidden van een god.

In het Grieks is het echter anders en daar wil ik verder op ingaan. Matteüs gebruikt hier namelijk het woord προσκυνέω (proskuneo). Προσκυνέω is niet zomaar het neervallen voor een persoon, zoals in de verhalen van Lukas en Markus (zij gebruiken het woord πιπτω (pipto)). Het gaat veel verder dan dat. Met dit woord wordt verwezen naar de aanbidding van goden, of mensen die goddelijk zijn. [2] Προσκυνέω kan niet gebruikt worden als een ’begroeting’ van mens tot mens. Toen Alexander de Grote in het jaar 327 voor Christus aan de macht was, eiste hij dat zijn onderdanen hem vereerden door middel van προσκυνέω. Veel Grieken weigerden dit, omdat zij wisten wat dit betekende: Alexander wilde vereerd worden als een god. [3] Ik kan ook een voorbeeld geven uit de bijbel waaruit blijkt dat dit woord niet zomaar voor mensen kan worden gebruikt. In Handelingen 10 ontmoet hoofdman Cornelius Petrus. De eerste ontmoeting wordt beschreven in 10:25: ‘En het gebeurde, toen Petrus naar binnen ging, dat Cornelius hem tegemoetkwam, aan zijn voeten viel en hem aanbad.’ Het laatste woord, aanbad, is het Griekse woord dat we inmiddels kennen. Maar hoe reageert Petrus? Zijn antwoord in vers 26 is veelzeggend: ‘Maar Petrus richtte hem op en zei: Sta op, ik ben zelf ook maar een mens.’

Matteüs maakt ook zijn definitie van het woord bekend, dit doet hij in Matteüs 4. Door deze tekst kun je ontdekken wat hij precies met dit woordgebruik bedoelt. Jezus is veertig dagen in de woestijn waar Hij aan het vasten is. Daar wordt Hij verzocht door satan. In 4:9-10 staat: … en zei tegen Hem: Dit alles zal ik U geven, als U knielt en mij aanbidt. Toen zei Jezus tegen hem: Ga weg, satan, want er staat geschreven: De Heere, uw God, zult u aanbidden en Hem alleen dienen. Ook hier gaat het om προσκυνέω. Jezus zegt dat alleen God dit mag ontvangen. [4] De vraag is daarom, waarom valt de man in Matteüs 9:18 op deze manier voor Jezus neer en zegt Jezus hier niets over? Omdat deze manier van verering Jezus toekomt, omdat Hij God zelf is.

Tijdens het exegetiseren kwam ik nog een interessant punt tegen wat betreft de goddelijkheid van Jezus. Toen Matteüs zijn evangelie opschreef, maakte hij zeer waarschijnlijk gebruik van Markus’ evangelie. [5] Als de leider, in Markus heet hij Jaïrus, bij Jezus komt, vraagt hij of Jezus Zijn handen (τάς χεῖρας) wil opleggen bij de dochter. Matteüs, met het evangelie van Markus bij zich, verandert dit in een enkelvoud: hand (τήν χεῖρά). Matteüs heeft sterk de neiging om de tekst van Markus te ‘verjoodsen’ [6], Matteüs legt daarbij veel links naar het Oude Testament. In het Oude Testament is ‘de hand van God’ altijd enkelvoud. Door het meervoud van Markus te veranderen in een enkelvoud maakt Matteüs Jezus’ hand, de hand van God zelf. [7]

De Jehovah Getuigen die bij mij in huis waren, vielen naar aanleiding hiervan stil. Natuurlijk, ze weten van Johannes 1 en hebben daarop waarschijnlijk hun antwoorden gereed staan, maar dit hadden ze nog niet gehoord. En eerlijk gezegd wist ik het zelf een paar maanden geleden ook niet. Dit betekent overigens niet dat er ook maar iemand is die precies weet hoe dat werkt: Jezus als mens en God tegelijk en dan ook nog eens in een Drie-Eenheid. Hoe is dat mogelijk? Ik heb geen idee, maar dat is maar goed ook. Als we precies wisten hoe het allemaal zit wat dit betreft dan zou God niet meer God zijn, want dan is Hij te vatten. Maar ik denk wel dat de bijbel overduidelijk is: God liep op deze aarde rond. Stierf op deze aarde voor de zonden die wij hebben gedaan. Maar juist omdat het God zelf was, kunnen wij weten dat het daarom ook echt volbracht is. En dat is goed om te beseffen zo aan het begin van een nieuw jaar.

[1] Zie: https://www.jw.org/nl/jehovahs-getuigen/faq/in-jezus-geloven/

2] F. D. Danker, ed., A Greek-English lexicon of the New Testament and other early Christian Literature (Chicago: The University of Chicago Press, 2000), p 882-883

[3] M. F. Bird, C. A. Evans, S. J. Gathercole, C. E. Hill & C. Tilling, How God became Jesus (Grand Rapids: Zondervan, 2014), p 101.

[4] S. Grindheim, Christology in the Synoptic Gospels: God or God’s Servant (Londen: T&T Clark, 2012), p 97. En: R. N. Longenecker, ed., Contours of Christology in the New Testament (Grand Rapids: W. B. Eerdmans Publishing Company, 2005), p 108.

[5] C. L. Blomberg, The Historical Reliability of the Gospels (Downers Grove: InterVarsity Press, 2007), p 38-39. D. A Hagner, Word Biblical Commentary: Matthew 1-13 (Grand Rapids: Zondervan, 2000), p xlvii. F. D. Bruner, Matthew A Commentary Volume 1: The Christbook Matthew 1-12 (Grand Rapids: W. B. Eerdmans Publishing Group, 2004), p xxix.

[6] A. M. O’Leary, Matthew’s Judaization of Mark (Londen: T&T Clark, 2006), p 152 – 171.

[7] W. D. Davies & D. C. Allison, Matthew 8-18: Volume II (Londen: T&T Clark, 2004), p 126.

 

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s